Jan Lawalata

Jan Lawalata.

Jan Lawalata. © Nico Brons

Jan Lawalata.

75 jaar na kille ontvangst Molukkers in Nederland, vindt Jan Lawalata het nú tijd voor excuses

Een half jaar, langer zou het verblijf van de Molukkers in Nederland niet duren. Maar dat bleek een loze belofte. Bovendien was de ontvangst kil en de huisvesting slecht. Bijna 75 jaar later zit de pijn in de Molukse gemeenschap daarover nog diep. Tijd voor excuses, vindt Jan Lawalata, oud-opbouwwerker en voorzitter van de Vereniging van Kumpulans in Nederland. „Ons is onrecht aangedaan.”

Schrijft over de gemeente Nijkerk

De 82-jarige inwoner van Leusden, het zevende kind uit een gezin van dertien kinderen, herinnert zich de overtocht in mei 1951 als de dag van gisteren. „Mijn moeder was net bevallen van m’n broertje. Eerst gingen wij kinderen alleen aan boord, in Semarang, op Java. We moesten huilen. Want waar waren onze ouders? Gelukkig werden zij, mét baby, vlak voor vertrek omhooggehesen.”

Verdoezeld

In totaal werden in 1951 zo’n 12.500 Molukkers naar Nederland gehaald, onder wie vierduizend militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Vader Johan Lawalata, geestelijk verzorger, was een van hen. Na het uitroepen van de onafhankelijkheid beschouwde Indonesië de KNIL’ers als verraders, waardoor zij moesten vrezen voor hun leven.

Een terugkeer naar de in 1950 uitgeroepen Republiek der Zuid-Molukken zat er niet in; de eilanden waren door Indonesië bezet. Lawalata, met opgewonden stem: „Hoe wij naar Nederland zijn gekomen wordt altijd een beetje verdoezeld. Alsof dat zomaar ging. De KNIL-militairen hadden ter plaatse moeten demobiliseren. In het land van de vijand! Dat zou marteling of gevangenschap betekend hebben. De Molukkers hebben tot aan de Hoge Raad geprocedeerd om de demobilisatie op een veilige plek te laten plaatsvinden. Die zaak hebben we gewonnen. We mochten naar Nederland, voor zes maanden.”

Hoofdschuddend: ,,Dieptreurig.”

Tijdens het gesprek uit Lawalata meer dan eens zijn verontwaardiging over de omgang van Nederland met de Molukkers. Hij is trots op zijn afkomst. Op grond van zijn achternaam weet iedere Molukker waar de Lawalata’s vandaan komen, namelijk uit het dorp Paperu op het eiland Saparua. „Ik ben geïntegreerd, doe mee aan de Nederlandse samenleving en heb Nederlandse vrienden. Maar ik ben níét geassimileerd. Ik ben en blijf een Lawalata.”

Lees verder onder de kaart

De meeste Molukkers werd destijds opgevangen in Kamp Amersfoort, waar een medische keuring inclusief ontluizing plaatsvond, en daarna verspreid over woonoorden en voormalige concentratiekampen. De familie Lawalata belandde in 1952 in een barakkenkamp in Middelburg. Het gezin telde op dat moment al elf kinderen. „We hadden drie kamers. Elke kamer had maar één raam en het tochtte er verschrikkelijk. Vluchtelingen worden nu beter opgevangen.”

‘Eigen oorlog’

Het levensverhaal van Lawalata is onderdeel van een expositie, getiteld Vrijheid in het hoofd. Daarvoor interviewde Riekje Hoffman, wier vader werkte aan de Birma-spoorlijn, behalve de Leusdenaar negen Indische Nederlanders.

„Ik wilde het zwijgen doorbreken en weten wat er is gebeurd”, vertelt de Amersfoortse. „Ze werden niet geacht over hun ervaringen te praten. ‘Wij hebben onze eigen oorlog’, kregen ze van Nederlanders te horen. ‘Terwijl jullie in de zon zaten onder de bananenboom, hadden wij honger.’”

Lees verder onder de video

In werkelijkheid leden hun families ontberingen onder de Japanse bezetting. Ook Lawalata’s vader werd geïnterneerd, in een kamp op het Indonesische eiland Banka. Het gezin, dat nauwelijks voedsel had, overleefde dankzij de kennis over eetbare planten uit het oerwoud die hij met zijn kinderen had gedeeld.

„Daarnaast wisten mijn oudere zussen dat er op de Chinese begraafplaats eten lag, dat nabestaanden daar neerlegden voor het hiernamaals. Een andere lifesaver waren de vitaminepillen die mijn vader voor de oorlog in de tuin had begraven.”

Anders dan veel Indische Nederlanders heeft Jan Lawalata, die trouwde met de Zeeuwse Janny, nooit gezwegen en zich tijdens een groot deel van zijn loopbaan ingezet voor de Molukse gemeenschap.

De woorden van zijn gekrenkte vader, die direct na aankomst in Nederland werd ontslagen uit het leger, had hij goed in z’n oren geknoopt: ‘Je bent niets minder dan een Nederlander.’ „We hebben allemaal ons best gedaan en zijn nooit werkloos geweest.”

Lees verder onder de foto

De familie Lawalata kort na aankomst in Nederland.
De familie Lawalata kort na aankomst in Nederland. © Privéfoto

Na een studie geografie wilde hij het onderwijs in, maar, zo ondervond Lawalata, de tijdgeest was destijds nog niet rijp voor een volledige betrekking van een leraar met een donkere huidskleur.

Hij schoolde zich om tot opbouwwerker en ging aan de slag in steden met een grote populatie Molukkers, zoals Den Haag, Deventer en Barneveld. Van de geïsoleerde, naoorlogse kampen werden zij overgeplaatst naar woonwijken en moesten ze leren omgaan met Nederlanders. Via onder meer scholen en verenigingen probeerde Lawalata de onderlinge relaties te verbeteren.

De gijzelingen in de jaren 70, voortgekomen uit teleurstelling en woede over de niet-nagekomen beloftes van de Nederlandse regering, deden zijn inspanningen weer goeddeels teniet. Voor de buitenwacht verklaarden Molukkers zich solidair met de gijzelnemers, maar intern was er ook onbegrip, dat Lawalata verwoordde in een tv-interview, bij de Ikon. „Er vielen onschuldige slachtoffers. En kinderen gijzelen, dat kon niet door de beugel.”

Leven in twee werelden

De gewelddadige acties hadden grote impact op Molukse scholieren. Volgens Lawalata bleef 80 procent zitten of zakte voor het examen. „Ze werden gepest. Niet eerlijk, maar wel begrijpelijk. Mijn probleem was ‘hoe herstel ik de relaties?’ Dat heeft me jaren gekost.”

Pangkalpinang, het eiland waar de familie Lawalata vandaan komt.
Pangkalpinang, het eiland waar de familie Lawalata vandaan komt. © iStock

Begin jaren 80 werd Lawalata, inmiddels werkzaam in de verslavingszorg, als directeur van de Stichting Tjandu nog op een andere manier geconfronteerd met de nasleep van de gijzelingen. Onder Molukkers was er een explosie van drugsgebruik. Het leven in twee werelden en de toegenomen discriminatie eisten hun tol. En tot op de dag van vandaag ondervinden Molukkers weerstand bij sollicitaties, zegt hij. „Je kunt het vergelijken met hoe er naar asielzoekers wordt gekeken.”

Je bent niets minder dan een Nederlander, zei mijn vader

Jan Lawalata

Het ideaal van de (niet-erkende) Republiek der Zuid-Molukken zit nog steeds in de hoofden van Molukkers: jaarlijks wordt op 25 april de oprichting herdacht en gevierd. De verbondenheid van jongere generaties met het land van herkomst komt echter niet meer langs politieke of activistische weg tot uiting, maar via sociaal-maatschappelijke initiatieven; bijvoorbeeld door scholen en kerken in de dorpen van hun (groot)ouders al dan niet financieel te steunen.

Dat gebeurt veelal via de Vereniging van Kumpulans (‘samenkomst’ of ‘vergadering’ in het Maleis), waar Lawalata voorzitter van is. „Er zijn zestig kumpulans, opgericht door onze ouders. Zo houden Molukkers, die afkomstig zijn uit hetzelfde dorp, contact met elkaar. ”

Het Molukse cultureel erfgoed is bij hem in goede handen. Gevoed door de appjes in het Maleis, die hij zijn kleinkinderen op hun verjaardag stuurt, willen zij de taal van hun opa leren.

Lees verder onder de tijdlijn

Onafhankelijk

Tegelijkertijd sluimert in hem het sentiment over niet-ingeloste beloften. Hij noemt de achterstallige soldij van KNIL-militairen en de verloren pensioenrechten. „Pas in 2024 hebben de laatste 75 militairen een vergoeding van 25.000 euro gekregen. Wat ook wringt: Oost-Timor, een voormalige Portugese kolonie die door Indonesië werd bezet, werd onafhankelijk (in 2002, red.), maar de Molukken niet. Had Nederland zich daar niet meer voor moeten inspannen?”

Lees verder onder de foto

De vader van Jan, John Lawalata, voormalig KNIL-militair.
De vader van Jan, John Lawalata, voormalig KNIL-militair. © Privéfoto

Hoewel dat wat laat komt, is hij blij met het advies van een commissie onder leiding van oud-minister Jet Bussemaker om in het onderwijs meer aandacht te besteden aan de geschiedenis van Nederlands-Indië.

Maar de hoop van de Molukse gemeenschap is op dit moment ergens anders op gevestigd, zegt Lawalata. „Volgend jaar is het 75 jaar geleden dat de Molukkers naar Nederland kwamen. Wat gebeurt er dan? Eerder bood Rutte excuses aan voor het slavernijverleden van Nederland en voor het geweld tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Wij verwachten nu ook excuses voor het onrecht dat óns is aangedaan.”