
Amersfoort herdacht op vrijdag 15 augustus het einde van de Tweede Wereldoorlog in toenmalig Nederlands-Indië. In de Sint Franciscus Xaveriuskerk waren zo’n 170 mensen aanwezig. Thema van de herdenking: 80 jaar bevrijding ‘Als wij stoppen met vertellen, stopt het verhaal’.
door Hans Zijlstra
Dit jaar vond de herdenking voor de zesde keer plaats. ,,De eerste keer was in 2020 met de viering van 75 jaar bevrijding’’, vertelt Francis Hazekamp van het comité 15 augustus 1945 Amersfoort. De gemeente stuurde toen een brief rond over de herdenking. ,,Op 4 en 5 mei herdenken we de oorlog in Nederland, maar in Nederlands-Indië, deel van het Koninkrijk der Nederlanden, was de strijd nog aan de gang.’’
TWEEDE GENERATIE
Tijdens deze editie stonden verhalen centraal van tweede generatie oorlogsslachtoffers. Mensen die de oorlog niet zelf hebben meegemaakt, maar het leed van hun ouders of familieleden met zich meedragen. Tijdens de herdenking verbraken Corine Kolb en Fiona Schussler de stilte van hun ouders, die niet in staat waren om hun oorlogservaringen zelf onder woorden te brengen. Burgemeester Bolsius prijst hen daarvoor: ,,Het verhaal moet worden doorgegeven.”
De burgemeester was aanwezig samen met wethouder Micheline Paffen-Zeenni en kabinetschef Yvonne de Korte. Bolsius toonde zich trots op de herdenkingscultuur in Amersfoort. ,,Er is hier veel te vertellen en veel om door te geven. De geschiedenis van Amersfoort levert steeds nieuwe inzichten op, maar we moeten ook scherp blijven”, vervolgde hij. ,,Op televisie zien we dagelijks wat oorlog en uitbuiting voor mensen kunnen betekenen. Belangrijk is dat we hier in vrijheid bijeen zijn. We beschermen onze vrijheid door over onze ervaringen te vertellen.’’
Het boek ‘Moederstad’ van historicus Philip Dröge leverde hem nieuwe inzichten op over Nederlands-Indië. ,,Niet alleen het einde van de oorlog daar was op een ander moment, de oorlog begon er ook later, in 1942.” Hij las er ook dat 15 augustus geen einddatum was: het geweld bleef, met de vrijheidsstrijd van de Indonesiërs en de koloniale oorlog die volgde. ,,Ook die feiten moeten we onder ogen zien”, stelde Bolsius. Net als drie eeuwen kolonialisme.
OORLOGSTRAUMA
Familieverhalen zijn wat hem betreft de grootste bron van kennis. ,,Vaak komen ze later naar boven, want er is afstand nodig om ze te kunnen vertellen. Maar als we goed blijven luisteren maakt dat ons sterker. Persoonlijke verhalen raken ons in het hart.” Dat geldt zeker voor het verhaal van Corine Kolb, die jarenlang worstelde met het oorlogstrauma van haar moeder, die in 1935 op Java geboren werd. ,,In 1942 kwam het gezin in een kamp in Bandoeng terecht, daarna in kamp Tjideng in Jakarta.”
Als jong meisje balanceerde haar moeder in die jaren tweemaal op het randje van de dood. Eenmaal terug in Nederland gingen haar grootouders naar verloop van tijd uit elkaar. ,,Mijn grootvader lag drie jaar in een sanatorium met TBC, mijn grootmoeder zat een jaar in een psychiatrische inrichting.” Haar moeder was door de oorlog voor het leven getekend. ,,Ik leerde dat ik mijn moeder altijd moest ontzien. Als kind mocht ik nooit zwakte tonen. Wantrouwen was mijn grondhouding. Ik kon geen nabijheid ervaren.”
Jarenlang kon ze er niet over praten, vervolgde Kolb: ,,Maar het is nooit te laat om een kind een stem te geven. Herstel is mogelijk door zacht aanwezig te zijn en het verdriet, in navolging van Adriaan van Dis, lichter te maken.” Dat leerde ook Fiona Schussler: ,,Je moet vooruitkijken en voor elkaar zorgen.” In haar ervaring is niets toevallig: ,,De paden van de familieleden komen altijd weer bij elkaar.” Ze was Verbindingsofficier in dezelfde kazerne waar haar vader, na zijn terugkeer in Nederland, als militair gelegerd was.
Toespraak Bolsius. (Foto: Hans Zijlstra)
BUITENKAMPERS
Haar familie behoorde tot de zogenoemde ‘buitenkampers’. Haar Chinees-Indonesische familieleden kwamen in 1942 niet in een kamp terecht, maar maakten toch een hoop ellende mee. Haar opa werd tewerkgesteld aan de Birma-spoorlijn, haar oma moest het zien te rooien met zes kinderen. Van 1945 tot 1947 werden ze door ‘pemoeda’s’, jonge Indonesische revolutionairen, gevangen gehouden in verschillende kampen. Pas in november 1947 werden ze daar door Nederlandse militairen uit bevrijd.
Na deze indringende familieverhalen verlieten de aanwezigen de kerk. Met een zonnebloem in de hand wandelden ze naar het door Hilde Paalvast ontworpen Melati-monument in de tuin van Museum Flehite. De Indische jasmijn of Melati geldt als symbool van hoop en troost. De vlokjes op de achterkant van het monument staan symbool voor het uitwaaieren van de Indische gemeenschap. Tijdens de aansluitende ‘selamatan’ of Indische maaltijd konden ze vervolgens napraten over de verhalen. Er zijn niet veel mensen meer die het hebben meegemaakt, zoals Wim Kan ooit zei. Maar huidige en toekomstige generaties kunnen het verhaal blijven vertellen.
