2. Laatste ooggetuigen
‘Het water van het kanaal was rood. Van mijn moeder moesten we de andere kant uit kijken’
Charles Ligtvoet was 14 toen hij met zijn familie uit Nederlands-Indië vertrok. Het was de tijd van de Bersiap.
Met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 eindigde de Tweede Wereldoorlog tachtig jaar geleden ook in toenmalig Nederlands-Indië. De Volkskrant sprak met enkele laatste ooggetuigen. Charles Ligtvoet (93) zat als kind in een jongenskamp.
Door Angela Wals
Fotografie Stephan Vanfleteren
13 augustus 2025, 05:00
De 8-jarige Charles Ligtvoet speelt op straat in Batavia als hij wordt gebeten door een dolle hond. Hij ziet dat andere voorbijgangers ook worden gebeten. Meteen vertrekt Ligtvoet met zijn ouders met de auto naar het Institut Pasteur in Bandoeng, 150 kilometer verderop; de enige plek op Java waar je een serum tegen hondsdolheid kunt krijgen.
Bij het eerste bezoek schrikt hij: ‘Buiten staan kooien, de meeste zijn leeg, maar in één kooi staat een naakte vrouw, schuimbekkend. Op de cementen vloer ligt een etensbakje. De geluiden die ze maakt, zijn nauwelijks menselijk. Ze is dol. Voor haar is het te laat.’ Drie weken lang krijgt Ligtvoet elke dag een injectie rond zijn navel. Onderweg naar huis realiseert hij zich: ‘Ik heb de anderen die zijn gebeten niet bij Pasteur gezien.’
‘Dit zijn van die herinneringen die nog vast in het geheugen liggen’, concludeert Charles Ligtvoet (93) met geaffecteerde tongval in de woonkamer van zijn vrijstaande woning in het Statenkwartier in Den Haag – de zee is vlakbij, in de tuin kliauwen de meeuwen.
Aan de tijd van voor de oorlog heeft Ligtvoet ‘de mooiste herinneringen’. Zijn vader werkte in Batavia bij een handelszaak en zijn moeder bij een uitgeverij. ‘De natuur was mooi, heel groen en we hadden enige bedienden: een kamermeisje, dienstmeisje, tuinman en een kokkie die altijd vroeg wat ik wilde eten als ik thuiskwam van de Prinses Julianaschool.’
Nadat de Japanners in maart 1942 Nederlands-Indië hadden bezet, zat u de eerste anderhalf jaar met uw moeder en zusje in het Tjihapit-kamp, in een woonwijk in Bandoeng. Wat gebeurde er daarna?
‘Alle vrouwen werden op transport gesteld. Jongens van 10 jaar en ouder, zoals ik, moesten achterblijven. Ik zie het nog zo voor me. Mijn moeder had een klein koffertje bij zich en stapte met mijn zusje in een van de open vrachtwagens. Ik rende huilend en met een zwaaiende vuist achter de vrachtwagens aan. Het liefste wat ik op dat moment had, werd van mij afgenomen. Bij de poort kreeg ik een slag van een bewaker, het kan een geweer geweest zijn, ik weet het niet. Ik viel neer en toen ik bijkwam was iedereen weg.
‘Ik dacht: ik kan proberen door het riool te kruipen? Dan ben ik uit het kamp en kan ik misschien nog zien welke richting de vrachtwagens op zijn gegaan. Maar ja, er is een kans dat ik word neergeschoten door de bewaking. Wat als er een wonder gebeurt, en ik straks mijn moeder weer kan zien? Met die gedachten heb ik een uur of langer rondgelopen.’
Kort daarna werden alle jongens overgeplaatst naar het 15de Bataljon: een mannen- en jongenskamp in Bandoeng. Hoe was het daar?
‘Er waren in het jongenskamp ongeveer zes barakken. Mijn barak had gevlochten bamboewanden waar de lucht makkelijk doorheen kon stromen, dat bracht iets verkoeling. Maar er waren geen muskietennetten en iedereen kreeg op de cementen vloer maar een halve meter ruimte om een dekentje uit te rollen.
‘Dagelijks werden we opgeroepen voor het appel. We hadden geen naam meer, maar een nummer. Mijn nummer was 14110. Als ik die hoorde, schoot ik in de houding, stak mijn hand op en stond vervolgens een uur in de hete zon buiten. Als iemand flauwviel, moest je die laten liggen.’
Wat is het ergste dat u in het kamp heeft meegemaakt?
‘De honger. Het knaagt de hele dag dat je geen eten hebt. Ik had steeds de neiging om naar voedsel op zoek te gaan, maar waar?
‘Ik geloof niet dat ik ooit ziek ben geweest. Wel broodmager. Om me heen kregen veel jongens difterie of beriberi. Ik kon aan de ogen van de slapie naast me zien of hij de volgende ochtend nog zou halen. Ik heb menigmaal jongens weggedragen zien worden uit de barak. Als iemand overleed, kreeg je eenmalig zijn rantsoen, een vreemd voordeel ineens.
‘Ik mocht in de moestuinen van de Japanners werken. Met vier andere jongens werden we achter een kar het kamp uitgeleid, met om onze bovenarmen een witte band met daarop in het Japans ‘groentetransporteur’. In de tuinen moesten we schoffelen, zagen. Rond lunchtijd verschenen schitterende Indonesische jonge vrouwen, traditioneel gekleed in smetteloze sarong en kebaya. Boven hun hoofd droegen ze een grote mand met nasi bungkus: een rijstgerecht verpakt in bananenblad. En dat was een echte maaltijd, niet die waterige soep die we in het kamp kregen. Als de Japanse bewakers even niet opletten, stopten de vrouwen ons een extra pakje nasi bungkus toe. Twee maaltijden! Ik weet zeker dat ik mede aan hen mijn leven te danken heb.’
De band die Charles Ligtvoet om zijn arm droeg als hij in de moestuinen van de Japanners werkte.
Kregen jullie nog onderwijs?
‘Ik heb vier jaar lang geen onderwijs gehad. Er waren in het kamp geen boeken, dus ik kon ook niet lezen. Je zat maar een beetje bij elkaar op een kluitje. Op een gegeven moment vond een pater dat de jongens afleiding moesten krijgen, zodat ze niet de hele tijd aan eten zouden denken. De kampleiding ging daarin mee. In het mannenkamp zat de beroemde Hongaars-Australische muzikant Robert Pikler met zijn band, die vaak voor de Nirom optrad, de Nederlandsch-Indische Radio Omroep Maatschappij.
‘Met zo’n veertig jongens hebben we met de band een paar revue-optredens gegeven. De Japanse bewaking zat tussen de toeschouwers. En wij zongen uit volle borst. We voelden ons even overmoedig en ver verheven boven die Japanners. Wat moeten ze hier? We geven ons nog niet over!
‘Daarna keerden we terug naar de realiteit. Naar de honger. En de appels.’
De blinde vlek voor de oorlogsverhalen uit Nederlands-Indië is een doorwerking van ons koloniale verleden
Wat merkte u van de capitulatie van de Japanners op 15 augustus 1945?
‘In het mannenkamp zat een onderwijsinspecteur en hij vertelde op een dag vrolijk hoe twee atoombommen Hiroshima en Nagasaki hadden weggevaagd. En wij dachten: die man is gek. Hoe kan hij dat nou weten? We waren volledig afgesneden van de buitenwereld. Maar toch ging ik met de gedachte spelen: stel je voor dat het waar is?
‘Later bleek dat de onderwijsinspecteur in zijn veldfles een radio had ingebouwd. Als de Japanners dat ooit hadden gemerkt, was hij meteen onthoofd.
‘Eind augustus dwarrelden er pamfletten op het kampterrein neer: de volgende dag zou het Australische Rode Kruis medicijnen en voedsel droppen. We moesten het terrein vrijmaken. Het eten kwam, corned beef, witbrood. Sommigen konden geen maat houden en aten zich dood.
‘En opeens kreeg ik een brief van mijn moeder, in het Maleis. Wil je hem zien?’
Charles Ligtvoet springt op uit zijn stoel en komt even later terug met een map. Daaruit haalt hij twee briefkaarten. Hij begint voor te lezen en te vertalen: ‘Kesehatan kita baik: onze gezondheid is goed. Kita tingcal di kamp Tjideng: we verblijven in kamp Tjideng, in Batavia. Gericht aan ‘Sinjo Ligtvoet’, jongen Ligtvoet, met mijn kampnummer erachter. Mijn moeder wist niet waar ik zat, dus het adres is: ‘Java’.
Een van de briefkaarten die Charles Ligtvoet van zijn moeder kreeg na de capitulatie van de Japanners.
Wat bijzonder dat de brief dan aankwam.
‘Later kwam er nog een brief. Die begint met ‘Spekkie manis’, lieve spekkie. Ik was voor de oorlog vrij dik, echt een spekkie. Mijn moeder schrijft: ik hoop dat je snel weer gezond wordt, mijn kind. Als we elkaar weer ontmoeten, zal ik zo blij zijn. Wees sterk.’
Waarom kon u niet meteen naar uw moeder en zusje toe in Batavia?
‘De Bersiap was begonnen. Nederlanders moesten zo veel mogelijk in de kampen blijven voor bescherming tegen de Pemoeda’s. Dit waren Indonesische jongeren die door de Japanners waren opgeleid tot een krijgsmacht voor de onafhankelijkheidsstrijd. Ze hadden niet allemaal wapens, maar vaak wel bamboestokken en messen. Je moest echt voor ze oppassen. De geallieerden hadden daarom de Japanners de opdracht gegeven om de kampen te beschermen.
‘Er waren veel Nederlanders met minder dan 50 procent Nederlands bloed, die nooit geïnterneerd waren en dus buiten de kampen woonden. Die waren vogelvrij. Dat gold ook voor de Ambonezen, die pro-Nederlands en christelijk waren.
‘Samen met een oom die in het mannenkamp zat, ging ik met de trein naar Batavia om mijn moeder te zoeken. We zaten in een coupé met zo’n vijf Indonesische vrouwen met kinderen. Na twee haltes werd de trein gestopt door Pemoeda’s. Alle Nederlanders moesten eruit. De vrouwen geboden ons, ons te verschuilen onder hun bank. Buiten werden zo’n acht mannen doodgespietst en getjintjangd, in stukken gehakt. Die moeders hadden ons – koloniale Nederlanders – beschermd tegen hun eigen mensen.’
‘Ze leefde. Ze was wel extreem mager, van het rantsoen dat ze kreeg had ze steeds het grootste deel aan mijn zusje gegeven.
‘Eind ’45 kwam mijn vader terug in Batavia. Hij was tewerkgesteld bij de Pakanbaroe-spoorlijn op Sumatra. Ik herkende hem niet. Hij zat onder de wonden en zweren, tot aan het bot toe. En hij was vreselijk, vreselijk mager. Het is zo gek, als je je eigen vader helemaal niet meer herkent. Hij heeft nooit echt verteld over wat hij daar heeft ervaren.
‘Mijn oma Leida uit Bandoeng was door schoften van de Kempetai, de Japanse geheime dienst, in een cel naakt aan haar voeten gehangen, als straf omdat ze was ondergedoken. Daarna was ze overleden.’
Die worden doodgespietst en ‘ge-Tsjing Tsjang-ed’.
Charles Ligtvoet
Hoe kwam u in Nederland terecht?
‘In de winter van 1946 vertrokken we met troepentransportschip Bloemfontein naar Nederland, ik was 14. Begeleid door Sikhs en Gurkhas van het Britse leger werden we in vrachtauto’s naar de haven geëscorteerd. Langs het Ancolkanaal dat Batavia met de zee verbindt, werden we onder schot genomen door Pemoeda’s. Onze begeleiders schoten terug. Het water van het kanaal was rood. Van mijn moeder moesten we de andere kant uit kijken. Maar we gluurden toch. Er dreven verminkte lichamen in met opgeblazen buiken.
‘Dat zijn van die beelden die je niet vergeet.’
U bent gedurende uw leven nog heel vaak in Indonesië geweest. U was in de jaren vijftig ambtenaar bij het Binnenlands Bestuur in Nederlands Nieuw-Guinea…
‘Schitterend land. Geweldige tijd. Ik heb in die jaren een bijdrage mogen leveren aan de ontwikkeling van het land en het volk. Ik heb mijn vrouw daar ontmoet, ze was de secretaresse van de gouverneur.’
U werkte op de Nederlandse ambassade in Jakarta. U was VN- en EU-waarnemer bij verkiezingen in Indonesië en Oost-Timor. U was als vrijwilliger betrokken bij onder meer de bouw van een weeshuis, een vrouwenkliniek, een lagere school en huizen voor tsunami-ontheemden…
‘Mede dankzij mijn Lionscontacten konden tal van sociale projecten worden gerealiseerd.’
Waarom deed u dit allemaal?
‘Tja. Ik heb toch een zekere affiniteit met het land en volk. En ik heb een hoop armoede gezien. Ik vond het min of meer mijn plicht om te helpen.’
Over de makers
Angela Wals is journalist van de Volkskrant, historicus en schrijft over cultuur en maatschappij.
Stephan Vanfleteren werkt sinds 1993 als freelancefotograaf voor onder meer de Volkskrant. Hij geniet bekendheid om zijn indringende zwart-witportretten. Daarnaast fotografeert hij landschappen, naakten en stillevens, in opdracht van kranten, uitgeverijen en musea.
