Laatste ooggetuigen
‘Soldaten zochten jonge vrouwen, ik heb mij vaak moeten verstoppen’
Lena Plevier-Broos (105) leefde tijdens de oorlogsjaren voortdurend in angst om te worden geronseld als ‘troostmeisje’ voor Japanse soldaten.
Met de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 eindigde 80 jaar geleden de Tweede Wereldoorlog ook in toenmalig Nederlands-Indië. De Volkskrant sprak met enkele laatste ooggetuigen.
Door Marjon Bolwijn
Fotografie Stephan Vanfleteren
12 augustus 2025, 05:00
De 105-jarige Lena Plevier-Broos is geboren op Sumatra in Indonesië, in de tijd dat het eilandenrijk nog een kolonie van Nederland was. Als twintiger maakte ze de Japanse bezetting mee tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze moest voortdurend op haar hoede zijn om als jonge vrouw niet geronseld te worden voor gedwongen prostitutie door Japanse soldaten, die daar berucht om waren.
Ze vertelt: ‘Er waren Indonesiërs die verraadden waar Nederlanders woonden. Zo kwamen de Nippons – zo noemden wij de Japanners – ook bij ons langs. Ik heb veel angstige momenten gekend, omdat ze op zoek waren naar jonge vrouwen, voor zichzelf. Het woord verkrachting kende ik toen nog niet, maar dat was wat ze deden. Ze konden zomaar je huis binnengaan, op zoek naar meisjes. Je wist wanneer ze eraan kwamen, want dan hoorde je tetteretet van hun trompet. Dan moest ik mij snel verschuilen.’
Hoe zag uw leven eruit voordat de oorlog uitbrak?
‘Ik woonde met mijn ouders en tien broers en zussen in een dorp op Sumatra, tussen voornamelijk Indonesiërs. Ik was het vierde kind. Mijn vader was een streng christelijke Nederlander, die met een zeilschip naar Nederlands-Indië was gevaren. Hij vocht in de Atjeh-oorlog en werkte daarna als opzichter in de kolenmijnen. Mijn moeder was Indisch (van gemengd Indonesisch en Europees bloed, red.) en 24 jaar jonger dan mijn vader – ze was 13 jaar toen ze met hem trouwde en mijn oudste zus werd geboren.
‘Mijn ouders waren lief, maar ook streng. We mochten niet dansen, niet op clubjes, niet naar de bioscoop en niet met andere kinderen spelen. Na school moesten we onmiddellijk naar huis. We waren altijd thuis, thuis, thuis. Zo’n rooskleurig leven was het niet. De meisjes moesten helpen in de keuken, de tafel dekken, strijken, naaien en borduren, en de jongens moesten mijn vader helpen in de tuin, waar hij Hollandse groenten verbouwde als andijvie en boerenkool – de zaadjes liet hij uit Nederland komen. Ook zijn kippen kwamen uit Nederland.
‘Ik was de lieveling van mijn ouders. Dat kwam doordat ik een ziekelijk kind was, ze maakten zich zorgen om mij. Ik had vaak koorts, moest overgeven en was heel mager. In mijn maag zaten maaien, aan mijn billen hingen lange witte wormen, die aten alles op wat ik had gegeten. Ik heb een paar keer in het ziekenhuis vertoefd om ze te laten verwijderen. De dokter vroeg mijn moeder of hij mij mocht houden. Ze wist zich geen raad – ik hoorde haar tegen een vriendin zeggen dat ik toch geen kippetje ben dat je zomaar weggeeft! Door mijn zwakke gezondheid kon ik vaak niet naar school, dan hielp ik mijn moeder in de keuken, waar zij haar kennis van kruiden met mij deelde.
‘Al jong had ik veel bekijks. Als ik uit school naar huis liep, zag ik mannen tussen de kieren van hun gordijnen gluren: daar komt Lena Broos aan! Twee Indonesische jongens zaten vaak achter mij aan. Ze wachtten me onderweg naar huis op om mij te kunnen grijpen. Er was ook een Chinese man die contact wilde en een reiziger die spullen verkocht. Hij bleef langer hangen in de hoop met mij te kunnen trouwen. Een Ambonees wachtte in de struiken tot ik langsliep, toen hij tevoorschijn kwam zei hij dat hij met mij wilde trouwen en naar mijn ouders zou gaan. Huilend kwam ik thuis. De man kwam, mijn vader zei dat ik nog maar een kind van 14 was en stuurde hem weg.
‘Een keer kreeg ik een flink pak slaag omdat ik te laat thuiskwam uit school. Mijn vader bleek de politie te hebben gebeld. Ik was omgelopen omdat ik die twee Indonesische jongens op mij zag loeren, onder een brug waar ik overheen moest. Mijn moeder huurde een kar met een paard, waarmee ik voortaan op en neer naar school kon, mijn broers en zussen vonden het prachtig, want ze konden mee.’
Wat naar dat u zo werd belaagd door mannen.
‘Mijn hele leven ben ik om mijn uiterlijk achtervolgd door mannen, ook later in Dordrecht. Daardoor vond ik mijn leven niet zo leuk. Ik deed niets bijzonders, ik maakte mij nooit op. Kennelijk was ik als blik: ik straalde. Als meisje werd ik de ‘Roos van Pajakumbu’ genoemd, Pajakumbu was de plaats waar we woonden. Ze vonden mij de knapste vrouw van de streek.
‘In de buurt was een sociëteit waar mannen met hoge functies samenkwamen, zoals het hoofd van de politie, van de school, de wethouder en de assistent-resident – in Nederland burgemeester genoemd. Ik hoorde dat ze onderling bespraken wie als eerste Lena Broos zou krijgen.’
De blinde vlek voor de oorlogsverhalen uit Nederlands-Indië is een doorwerking van ons koloniale verleden
Heeft u zelf een partner kunnen kiezen?
‘Mijn jongere broer Paulus werkte in een goudmijn en nam op een dag een collega mee, die opzichter was, Oscar Hagenstein heette hij. Een hartstikke leuke man, vol grappige en mooie verhalen, hij was werelds, niet streng gelovig. De vlam sloeg meteen over. Iedereen in ons gezin viel voor hem, ook mijn vader was meteen op hem gesteld. Oscar had een Duitse vader en een Javaanse moeder en was donker, daar hield mijn vader van. Oscar vroeg hem of hij met mij mocht trouwen en zei dat hij alle moeite zou doen om goed te zijn voor zijn dochter. Mijn vader besprak het met mij. ‘Het is een goeie man’, zei hij. Op 8 maart 1942 trouwden we, een dag later capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger voor de Japanse bezetter.’
Wat herinnert u zich van het begin van de oorlog in Nederlands-Indië?
‘De Nippons kwamen op de fiets ons dorp binnen. Vliegtuigen vlogen heel laag over, je kon ze bijna aanraken. Als de sirenes klonken, gingen we snel de schuilkelder in. Het was een angstige tijd, de soldaten konden je zo doodschieten, slaan of martelen. Dat is allemaal gebeurd. Als je een Nippon tegenkwam, moest je diep buigen, wie dat niet deed, werd onthoofd. Sommigen overleefden dat, dan hing hun hoofd er zo bij’, (ze laat haar hoofd naar links hangen) ‘maar konden nooit meer praten. In onze tuin hebben de Nippons een keer een groot gat gegraven waarin ze drie mensen levend begroeven, lévend.
‘Ik was 23 toen de oorlog begon en woonde nog bij mijn ouders, met mijn 12 jaar jongere zusje Lies, ook na mijn huwelijk. Ik weet nog dat er weer tetteret klonk – het trompetgeschal van de Nippons, waardoor je wist dat ze eraan kwamen – en ik mij snel achter de deur van onze voorkamer verstopte. Vlakbij hing een schilderij van ons gezin. De smeerlappen kwamen binnen en een Nippon wees met zijn sabel naar mij op de afbeelding en vroeg waar ik was. Mijn moeder vertelde een leugen en ze vertrokken gelukkig weer. Een andere keer stuurde mijn moeder mij na tetteret met mijn eerste baby Rudy het hoge olifantsgras in, dat prikte heel erg.
‘Tijdens de oorlog heb ik mij vaak moeten verstoppen. Ik had inmiddels twee kleine kinderen toen ik mij een tijdje in een kampong in een kippenhok en later in een kubuk – een huisje van bamboe – in een kampong schuilhield. We zaten de hele dag op de grond en hadden weinig te eten. Mijn tweede zoon Jan was een baby, ik had te weinig moedermelk voor hem. Door ondervoeding zou hij na de oorlog de Engelse ziekte krijgen, door vitaminegebrek groeiden zijn beentjes krom.
‘Ook heb ik een poosje opgesloten gezeten in de slaapkamer van een tante, terwijl mijn kinderen bij mijn moeder bleven. Zodra we tetteretet hoorden, werd ik in een matras gerold – ik kon wel ademhalen, maar het was heel benauwd. Een vreselijke toestand.’
‘Ik was dan wel een vrouw van 36 jaar met zes kinderen, maar eigenlijk nog een kind, heel onzelfstandig.’
Hebben de Japanse soldaten, die berucht waren om gedwongen prostitutie van zo’n 200 duizend jonge vrouwen, u te pakken gekregen?
‘Nee, nee. Meisjes die ze wel te pakken kregen, hebben ze verschrikkelijke dingen aangedaan, zelfs kinderen van 4 jaar. Mijn vader hebben ze wel meegenomen, hij was toen al een oude man. Hij heeft één of anderhalf jaar in een kamp van de Nippons gezeten. Na de oorlog kwam hij met een lange baard en sterk vermagerd terug, ze moesten hem op een kar vervoeren, zijn dunne benen hingen over de rand. Mijn moeder schrok erg toen ze hem weer terugzag. Mijn man heeft alleen de laatste drie maanden voor de capitulatie gevangen gezeten, hij liep op blote voeten en gekleed in alleen een onderbroek naar huis.’
Hoe bent u in Nederland verzeild geraakt?
‘Na de oorlog werd ik met mijn gezin naar Jakarta vervoerd, daar kon mijn man aan het werk als ambtenaar. We woonden in een school. Het werd gevaarlijk. De Indonesiërs wilden alle Nederlanders en Indiërs weg hebben. Met de boot zijn we in de zomer van 1957 met onze zes kinderen naar Nederland gevaren. De regering in Nederland had dat goed geregeld. Na aankomst werden we met zijn achten ondergebracht in een pension in Dordrecht, op twee kamers. Mijn man vond werk als smid bij een slotenmaker. Na tweeënhalve maand overleed hij plotseling, ik had een dokter gewaarschuwd, maar die kwam te laat.’
Hoe redde u het alleen met zes jonge kinderen in een vreemd land?
‘Ik was radeloos. Ik was dan wel een vrouw van 36 jaar met zes kinderen, maar eigenlijk nog een kind, heel onzelfstandig. Een maatschappelijk werker regelde dat mijn moeder en jongste zusje – mijn vader was al overleden – in het pension kwamen wonen.
‘Elke maand kreeg ik een kleine uitkering, die ik mijn oudste kinderen liet ophalen, want ik schaamde mij als ik in de rij stond. Als eerste van de pensiongasten kreeg ik een eengezinswoning toegewezen. Ik leerde mijn tweede man Romke Plevier kennen, met wie ik twee jaar na het overlijden van Oscar trouwde en een dochter kreeg.
‘Drie van mijn zeven kinderen zijn overleden, met de overigen heb ik goed contact. Mijn oudste zoon Rudy komt elke dag langs. Elke avond bel ik met mijn jongste zusje Lies, die nu 92 jaar is. We praten vooral over de oorlog. Lies en ik zijn de enigen uit ons gezin die over zijn en hopen allebei dat de ander als eerste gaat. Ik voel dat ik de 106 jaar nog haal, in oktober.’
Over de makers
Marjon Bolwijn is redacteur en interviewt wekelijks een 100-jarige. In die gesprekken blikt ze met hen terug op de afgelopen eeuw, waarin de Tweede Wereldoorlog en de wederopbouw voor hen vaak een onmiskenbare rol hebben gespeeld. Een selectie van de interviews is gebundeld in het boek Levenslessen van 100-jarigen.
Stephan Vanfleteren werkt sinds 1993 als freelancefotograaf voor onder meer de Volkskrant. Hij geniet bekendheid om zijn indringende zwart-witportretten. Daarnaast fotografeert hij landschappen, naakten en stillevens, in opdracht van kranten, uitgeverijen en musea.
