
De Tweede Wereldoorlog eindigde voor Nederland pas echt op 15 augustus 1945. Dat er nog altijd weinig aandacht is voor de geschiedenis van Nederlands-Indië zegt veel over de bredere omgang met ons koloniale verleden, betoogt historicus Suze Zijlstra.
Dit artikel is geschreven door
Gepubliceerd op
9 augustus 2025, 05:00
De oorlog was voorbij, maar de oorlog was nog niet afgelopen. Terwijl in Nederland in mei 1945 het einde van de Duitse bezetting uitbundig werd gevierd, ging de Japanse bezetting van de Indonesische archipel door. Het duurde nog meer dan drie maanden tot Japan capituleerde.
In de publieke herinnering heeft dit daadwerkelijke einde van de Tweede Wereldoorlog, in het land dat tot het Nederlandse koninkrijk werd gerekend, altijd minder aandacht gehad. Het einde van de Duitse bezetting in mei kreeg meteen na de oorlog een jaarlijkse nationale herdenking, maar 15 augustus, de dag van de Japanse capitulatie, wordt pas sinds 1988 jaarlijks nationaal herdacht bij het Indisch monument in Den Haag. De koning is hier slechts eens in de vijf jaar bij.
Twee verhalen
Als je, zoals ik, opgroeit als deel van een migrantenfamilie waarin de herinneringen aan het land van herkomst nog levend zijn, leer je minstens twee verhalen: verhalen die je thuis meekrijgt en verhalen die in het nieuwe thuisland gewoon zijn.
Thuis leerde ik, vooral van mijn Indische oma, over de Japanse bezetting die zij op Java meemaakte en over de oorlog die hierna volgde. Op school ging het in de late jaren negentig vooral over de Duitse bezetting en de meedogenloze Jodenvervolging. Een belangrijke geschiedenis die we moeten blijven onderwijzen en herdenken. Maar als kind vroeg ik me al af waarom de oorlog van mijn familie, die toch ook Nederlands was, geen plek had op school. Als geschiedenisstudent leerde ik aan de universiteit ook bar weinig over de Japanse bezetting, terwijl die toch ook een belangrijk deel is van de Nederlandse geschiedenis.
Suze Zijlstra (39) is historicus en schrijver, gespecialiseerd in Nederlandse koloniale en maritieme geschiedenis. Ze werkt als universitair docent publieksgeschiedenis bij de Universiteit van Amsterdam en als onderzoeksconservator bij Het Scheepvaartmuseum. In haar boek De voormoeders (2021) volgt Zijlstra de Aziatische en Europees-Aziatische vrouwen in haar familie, vanaf de tijd van de VOC tot en met de migratie van haar oma’s gezin naar Nederland in de jaren vijftig.
Nog steeds spreek ik geregeld mensen die nauwelijks afweten van de Tweede Wereldoorlog in Azië. Als je hierin geen onderwijs hebt gekregen en het niet in je familiegeschiedenis zit verweven, dan is dit misschien niet eens zo verwonderlijk. Maar het gebrek aan kennis over deze geschiedenis zegt veel over de bredere omgang met het koloniale verleden in ons land. Het laat pijnlijk zien hoe onbelangrijk dit verleden werd gevonden door de mensen die de inhoud van het onderwijs bepaalden, en hoe marginaal de positie was van postkoloniale migranten voor wier oorlogsverleden in Nederland lange tijd geen plek was.
De Nederlandse oorlogsgeschiedenis die iedereen in ons land zou moeten kennen, was deel van de oorlog die het keizerrijk Japan al een aantal jaar voerde om zijn macht uit te breiden in Azië. Begin 1942, kort na de aanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor in december, viel Japan de Nederlandse kolonie binnen. Het keizerrijk wilde met name controle krijgen over de grondstoffen in de archipel, olie en rubber, die het nodig had om de oorlog voort te zetten. Met de verovering van de archipel zou Japan minder afhankelijk worden van import.
Japanse invasie bracht hoop
In januari en februari zette de Japanse opmars door. De geallieerden konden op de Javazee het Japanse leger niet tegenhouden. Op 1 maart 1942 zetten Japanse troepen voet aan wal op Java. Het koloniale leger bleek ook daar machteloos tegen de goed getrainde, modern bewapende soldaten. Het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) capituleerde een week later, op 8 maart.
De Japanse invasie bracht, zij het kortstondig, voor Indonesiërs de hoop dat er nu echt onafhankelijkheid zou komen. Dit streven was geenszins nieuw. Vanaf het begin van de Nederlandse kolonisatie waren er oorspronkelijke bewoners die zich tegen de toenemende bezetting van hun land verzetten. En sinds de vroege 20ste eeuw waren er steeds meer Indonesiërs die zich verenigden in de hoop op een zelfstandiger, uiteindelijk onafhankelijk Indonesië.
Dwangarbeiders (romusha’s) werken in 1943 aan de aanleg van een kanaal in de omgeving van Kediri, Oost-Java.
Bron
ANP
Sommigen probeerden met de koloniale overheid samen te werken in de hoop binnen het Nederlandse koninkrijk een zelfstandig bestuurd land te krijgen. Degenen die zagen hoe weinig serieus de beperkte formele politieke macht, gekregen van de Nederlandse overheid, in praktijk werd genomen, kozen er in toenemende mate voor om niet samen te werken met Nederlanders in hun streven naar onafhankelijkheid.
Repressief koloniaal bewind
Het Nederlandse koloniale bewind ontwikkelde zich steeds repressiever in de loop van de jaren twintig en dertig, uit angst dat de Indonesiërs de overhand zouden krijgen. Indonesische leiders en iedereen die werd verdacht van ‘communistische’ sympathieën, werden gevangengezet en afgevoerd naar concentratiekampen als Boven-Digoel in Nieuw-Guinea. Hoewel er zeker communisten waren, werd deze term een verzamelnaam voor iedereen die werd gewantrouwd door het koloniale bestuur.
In deze periode groeide het aantal witte Europeanen in de archipel, al bleven ze slechts een kleine bevolkingsgroep. Zij hadden in de vooroorlogse kolonie de meeste macht en de grootste kansen om lucratieve posities te bekleden. De Indonesische bevolking, die met ongeveer 60 miljoen een zeer grote meerderheid vormde, stond onderaan de koloniale hiërarchie en had niet dezelfde rechten en kansen als de Europese bezetters.
Ze kregen minder onderwijsmogelijkheden, moesten voor een veel lager loon werken en werden door de machthebbers beschouwd als minderwaardige leden van de samenleving. Hiernaast kende de koloniale wet ook een groep ‘vreemde Oosterlingen’ die niet oorspronkelijk uit de archipel kwamen, onder wie Chinezen en Arabieren.
Witte suprematie
Mijn grootouders hoorden tot een tussengroep, de Indo-Europeanen. Zij werden formeel tot de Europese bevolkingsgroep gerekend, maar hadden ook Aziatische voorouders. Deze groep was al ontstaan in de 17de eeuw, toen Europese mannen veelal ongehuwd samenwoonden met Aziatische vrouwen en kinderen met hen kregen. De Europees-Aziatische kinderen die door hun Europese vader werden erkend, werden tot de Europese bevolkingsgroep gerekend en kregen een Europese achternaam. Zij hadden weliswaar bepaalde privileges, maar werden nooit als volwaardig gezien en behandeld. Hoe Aziatischer zij eruitzagen, hoe minder ze voldeden aan het ideaal van Europese witte suprematie.
Van de ongeveer driehonderdduizend Europeanen in de archipel vormden de Indo-Europeanen de meerderheid. Maar waar Europese mannen in de kolonie eeuwenlang samenwoonden met Indonesische vrouwen, veranderde dat in de 20ste eeuw, toen mannen steeds vaker hun vrouw meenamen uit Nederland. De koloniale elite was steeds meer op Europa gericht.
Met de Japanse bezetting werd een einde gemaakt aan de Europese overheersing van de kolonie die ‘Nederlands-Indië’ werd genoemd. De racistische koloniale hiërarchie werd omgekeerd. Europese burgers, onder wie vooral Nederlanders, werden geïnterneerd in kampen en moesten buigen voor de Japanners. Indo-Europeanen die gewend waren om hun Indonesische voormoeders weg te moffelen, hadden er nu baat bij als ze konden bewijzen dat ze deels Aziatisch waren.
De ene overheerser voor de andere
Degenen die volgens Japanners Aziatisch genoeg waren, bleef internering in de Japanse burgerkampen bespaard, omdat het idee was dat zij zich wel zouden scharen achter de ‘Groot Oost-Aziatische’ gedachte; Japan propageerde dat Oost-Azië, onder leiding van het keizerrijk, welvarend zou worden. Veel landen waren immers door Europese machthebbers gekoloniseerd of stonden onder westerse invloed, waarmee lange tijd veel welvaart in Europese handen was gekomen. Japan pretendeerde dat Oost-Azië zich onder Japanse leiding zelfstandig en vrij zou kunnen ontwikkelen.
Vrijheid was echter ver te zoeken in de landen die door Japan werden bezet. Dat er in de archipel geen Nederlands meer gesproken mocht worden, gaf weliswaar een impuls aan het Indonesische taalonderwijs en het gebruik van deze taal in de openbare ruimte, wat bijdroeg aan een toenemend eenheidsgevoel onder Indonesiërs. Maar hoewel de Japanners in de loop van de oorlog beloften deden met betrekking tot onafhankelijkheid, en het onderwijs en militaire training voor Indonesiërs verbeterden, kwam het in praktijk niet tot zelfstandigheid. Japan hield de touwtjes stevig in handen en bepaalde de aard van de nieuwe machtsverhoudingen. De ene overheerser was voor de andere ingeruild, met desastreuze gevolgen voor enorm veel Indonesiërs.
Indonesische verzetsstrijders ten tijde van de Japanse bezetting, 1943 of 1944.
Bron
Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
Vroeger vond ik dat ik zo veel wist, opgegroeid als ik was met twee oorlogsverhalen: familievertellingen over de Japanse bezetting en schoollessen over de Duitse. Als ik heel eerlijk ben, voelde ik me daarin beter dan klasgenootjes die nauwelijks van de Japanse bezetting wisten. Nog steeds kan ik een mengeling van irritatie en superioriteit niet onderdrukken als ik mensen tegenkom die niets weten van de betekenis van 15 augustus.
Onbekende verhalen
Maar als ik er beter bij stilsta, zie ik tegenwoordig vooral hoeveel verhalen ik zelf nog niet ken. De paar verhalen die ik ken, zijn namelijk gezien vanuit mijn eigen, relatief welgestelde koloniale familie. Niet dat het onbelangrijke verhalen waren: ik ken verhalen over de Birmaspoorlijn, die door dwangarbeiders werd aangelegd, onder wie krijgsgevangenen zoals de broer van mijn oma. Een van haar andere broers werd gedwongen om in de mijnen in Japan te werken. Mijn oma kwam zelf weliswaar niet in een Japans kamp terecht, omdat haar vader buiten het kamp voor de Japanners moest werken, maar zij en haar zusje brachten de oorlog door in angst, omdat jonge vrouwen zoals zij moesten leven met de dreiging van verkrachting door Japanse soldaten.
Ik weet dat het gezin waarin mijn oma was opgegroeid uiteindelijk geluk had, want ze overleefden allemaal de oorlog. Meer dan twintigduizend Europeanen overleefden de Japanse bezetting van de archipel en dwangarbeid in krijgsgevangenschap niet.
Er is echter meer dat ik niet wist, en nog steeds zo veel dat ik niet weet. Mijn oma vertelde niet over de miljoenen Indonesiërs die werden gedwongen om voor Japan te werken, zowel op Java als daarbuiten. Veel van deze dwangarbeiders, romusha’s, overleefden de afschuwelijke omstandigheden waarin zij werden tewerkgesteld niet. Bij de aanleg van de Birmaspoorlijn kwamen ongeveer honderdduizend romusha’s om. Dankzij mijn oma wist ik dat seksueel geweld dreigde, maar pas later leerde ik over het hartverscheurende aantal vrouwen dat door Japanners in militaire bordelen aan de lopende band werd verkracht. Alleen al in de archipel ging het naar schatting om zeventigduizend vrouwen, vooral van Indonesische afkomst. Daarbuiten om nog veel meer.
Een dwangarbeider (romusha) op het dek van MS Maetsuycker, na aankomst in de haven van Jakarta in 1947.
Bron
Cas Oorthuys / ANP / Nederlands Fotomuseum
Ik kende verhalen over honger, maar had geen idee dat door Japans wanbeleid en natuurlijke plagen de oogsten kelderden, en boeren werden gedwongen een flink deel van de oogst af te staan aan het leger. Er stierven naar schatting 2,5 miljoen Indonesiërs, voornamelijk aan honger. Elke persoon die stierf was even uniek en individueel, even belangrijk of onbelangrijk als mijn oma, maar hun verhalen ken ik niet. Ik denk dat mijn oma hun verhalen ook niet kende.
Doorwerking van koloniaal verleden
Dat deze doden niet in ons nationaal geheugen zijn gegrift, voelt als een doorwerking van een koloniaal verleden waarin levens van Indonesiërs van het kleinste belang werden geacht. Hun gegevens werden tijdens de oorlog minder goed geadministreerd en bewaard, en er werd na de oorlog minder onderzoek naar hun geschiedenis gedaan. Het gedane onderzoek is, in ieder geval in Nederland, voor een groot publiek inclusief mijzelf minder goed bekend. Hun verhalen zijn minder goed bereikbaar. Ongelijkheid in het verleden speelt door in wat wij hierover weten in het heden.
Nu tachtig jaar vrijheid groots wordt gevierd, met veel aandacht voor de Duitse bezetting, zijn er gelukkig ook initiatieven die het Aziatische oorlogsverleden op een vernieuwende manier in de schijnwerpers zetten. Zo is in Museon-Omniversum een indrukwekkende tentoonstelling van handwerk door vrouwen die hun dagelijks leven in Japanse kampen in hun borduurwerk vastlegden.
Het laat zien hoe de ruimte groeit voor onderbelichte, vrouwelijke perspectieven. Hierbij is meer oog voor creatieve bronnen, zoals handwerk, die vroeger maar weinig aandacht kregen. Dat er meer aandacht is voor het Aziatische oorlogsverleden, blijkt ook uit het feit dat de Nationale Herdenking op 15 augustus in Den Haag steeds beter bekend wordt. Ook de Indonesische slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog worden hier herdacht.
Toch blijft onze blik veelal gericht op het oorlogsverleden van de mensen die na de oorlog uit Indonesië naar Nederland migreerden. Dit is begrijpelijk, maar het is slechts een deel van een veel groter oorlogsverleden. Daarom is het nodig om ons perspectief te blijven uitdagen.
Dit jaar sta ik, zoals voorgaande jaren, op 15 augustus met de Nationale Herdenking stil bij de slachtoffers die zijn gevallen tijdens de Japanse bezetting. Maar wat er in de oorlog gebeurde in de archipel, en wat wij hier tegenwoordig over weten, is niet los te zien van de koloniale periode die eraan voorafging. Het geweld dat na de Japanse bezetting volgde, in de strijd om Indonesische onafhankelijkheid, is niet los te zien van honderden jaren koloniale bezetting en uitbuiting. Daarom ben ik op 16 augustus te vinden bij de Dekoloniale Indonesië Nederland Herdenking die sinds enkele jaren plaatsvindt in Amsterdam. Om stil te staan bij de slachtoffers van de kolonisatie, de Japanse bezetting en de gewelddadige periode die hierop volgde.
Een kapper in Jakarta knipt een soldaat van de geallieerde strijdkrachten.
Bron
Rijksmuseum
Onafhankelijkheid
Twee dagen na de Japanse capitulatie, op 17 augustus 1945, werd de Indonesische onafhankelijkheid uitgeroepen. Indonesische vrijheidsstrijders keerden zich met veel geweld tegen Europeanen en iedereen die met het voormalige koloniale bewind werd geassocieerd. Nederland wilde zich niet bij de onafhankelijkheid neerleggen en probeerde in de jaren erna het net bevrijde land opnieuw te koloniseren met een militaire invasie. Het Nederlandse leger gebruikte hierbij structureel extreem geweld en pleegde oorlogsmisdaden.
De oorlog was voorbij, maar de oorlog was nog niet afgelopen.
